Kapitein J. P. Hoedemaker

Jan Pieterszoon Hoedemaker werd geboren op Vlieland, 6 maart 1849. In 1874 was hij 2e stuurman op de bark “Soerabaya Packet”. Na een goede beoordeling ontving hij in 1875 op de Harlinger Zeevaartschool zijn diploma 1e stuurman. Hij werd onder kapitein Schenk stuurman op de bark “Smeroe”.  Tijdens het kapiteinsschap van J.C. Strootman was Hoedemaker 1e stuurman. Strootman overleed in 1883 aan boord. Hoedemaker nam toen het gezag over.Daarna werd hij kapitein op de composiet bark “Slamat”. De “Slamat” was een bark van 916 ton, gebouwd op de werf van Meursing in Nieuwendam. Over kapitein Hoedemaker als persoon is wel het één en ander te vertellen.. Hij was een uitstekende zeeman, moedig in moeilijke omstandigheden. Teunis Pronker (de latere kapitein van de “Amicitia”) heeft als 1e matroos op de bark Smeroe gevaren met Hoedemaker als 1e stuurman. Hij vertelde jaren later nog dat hij toen heel erg veel van hem geleerd heeft wat de zeemanskunst betreft. Hoedemaker was klein van stuk, maar kon met donderende stem bevelen uitdelen..

In het boekje “Schipper -naast God- op zijn schip” door D.J.Ruyter vindt je van blz. 28-38 ook een heel stuk over J.P. Hoedemaker! Hier enkele aardige citaten: “De schipper was een klein mannetje met een enigszins kromme rug, de matrozen beweerden dat er een halve slag in hem zat, maar zij waren knap benauwd voor hem, want dit kleine mannetje beschikte over een vocabulaire, die een stormwind tot een topkoeltje kon maken. Daarbij was hij een prima zeeman. (..) Er was geen kapitein die het tuig beter bij de wind kon brassen dan dit kleine mannetje en daarvoor hadden zij respect. Het was een harde kerel die veel dronk en als de nood aan de man kwam eiste hij alles van zijn bemanning maar ook van zichzelf. De “Slamat”  had eens een reis gemaakt van Batavia naar Amsterdam in 97 dagen. Wel hadden ze alle bovenzeilen en de bramstengen verspeeld en de ouwe had de hele reis in een stoel op de kampagne geslapen. (..) Klaas (de hoofdpersoon in het boek) leerde de schipper haten en apprecieeren. Hij kon de hardheid van deze man niet verkroppen en door het optreden van de kapitein was er altijd een geest aan boord, op het kantje van muiterij af. (..) Hoedemaker had een bijna duivels genoegen om de mensen op te zwepen tot het uiterste en dan te laten zien wie de baas op het schip was. Aan de andere kant was hij een zeeman, zoals er slechts weinig bestonden en zijn kleine gebogen gestalte verborg een hoeveelheid kracht, moed en uithoudingsvermogen waar iedere matroos en stuurman het grootste respect voor had. Bij kalm weer was hij meestal dronken in zijn hut, maar hoe beneveld hij ook kon zijn, wanneer plotseling slecht weer opstak, kwam hij op de kampagne, vloekend en tierend op alles in zijn naaste omgeving, razend tegen de elementen en op slag nuchter.”

In 1894 werd hij toch door reder Van der Hoog aangesteld als kapitein op de “Anna Aleida”. Ook tijdens zijn kapiteinsschap op de “Anna Aleida” vergde hij het uiterste van zijn bemanning, helaas weer regelmatig onder invloed van alcohol.. Tot twee keer toe kon hij als kapitein niet gehandhaafd worden wegens drankmisbruik.. In januari 1896 moest reder Pieter van der Hoog hem wegens wangedrag vervangen op de “Anna Aleida”. Op 18 januari kwam hij in Rotterdam aan met een lading chilisalpeter uit Tocopilla. Kapitein v.d. Meer was door Pieter uit Hamburg geroepen vanaf de “Amicitia” om het gezag over te nemen. (helaas leed kapt. V.d. Meer aan dezelfde kwaal als Hoedemaker..) Hoedemaker was toen nog maar 46 jaar. Daarna heeft hij nooit meer als kapitein op een schip gevaren.